Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

NESTKASTEN

Tal van vogels gaan jaarlijks op zoek naar nestgelegenheid. Sommige vogels maken een nest in een boom, in een dichte haag of tussen de begroeiing op de grond, al naargelang de soort.

Deze broedplaatsen zijn in de natuur niet altijd aanwezig. 
Men kan deze vogels helpen door het plaatsen van nestkasten in uw tuin. Jouw inspanningen worden beloond met het gezellige gedoe van de vogels die druk bezig zijn met het opvoeden van hun kroost.
 
Holenbroeders zijn vogels die in de natuur nestelen in holten van bomen of ondiepe nissen van muren en gesteenten. Deze geschikte broedplaatsen vind je niet meer in jouw onmiddellijke omgeving. Daarom wordt dit nestkastje door die vogels dankbaar aanvaard en is ecologisch zeker verantwoord.
Een nestkastje ophangen in jouw tuin betekent zoveel als een gratis en biologisch bestrijdingsmiddel voor ‘schadelijke’ insecten. Een bewoond nestkastje is voor kinderen heel leerzaam, het kweekt eerbied voor de natuur aan en verschaft aan iedereen veel natuurplezier.
 
Wanneer en hoe nestkastjes ophangen?
 
Je hangt ze best op in de winter !
Koolmezen, ringmussen en pimpelmezen die bij ons ’s winters blijven, gebruiken ze om tijdens barre weersomstandigheden erin te schuilen en te slapen. Voor enige kans op broedsucces, hang ze ten laatste in de vroege lente op.
Noch de hoogte, noch de oriëntatie spelen een grote rol. Maar als je de kans hebt om ze met de invliegopening naar het zuidoosten, weg van de overheersende regens, te plaatsen verdient dit de voorkeur. Met katten in de buurt is het ook beter ze op 2 tot 3 meter hoogte op te hangen. Zorg ervoor dat de invliegopening vrij is van neerhangende takken.
In elk geval moet jij er ook plezier aan hebben door de bewoners gemakkelijk te kunnen waarnemen. Dan zal je zeker voor dit nestkastje zorg dragen omdat jij het in jouw tuin waardevol zult vinden!
 
Onderhoud van een nestkastje
 
Verwijder ieder jaar na het uitvliegen van de jongen het oude nest. Als er voldoende voedsel is, gebeurt het vaak dat de ouders dadelijk een tweede nieuw nest bouwen en een tweede broedsel groot brengen. In elke geval moet het oude nest voor de winter verwijderd worden!
Doe je dit niet dan is de kans reëel groot dat de volgens de broedplaats mijden omdat hun instinct hen geleerd heeft dat parasieten zich in oude nesten schuilhouden.
Behandel dit nestkastje niet met carbolineum of andere natuuronvriendelijke producten.
Vogels pikken vaak aan de rand van de invliegopening. Aldus zouden ze kunnen giftige producten binnen krijgen. 
 
Hoe kan je jouw tuin voor toekomstige bewoners aantrekkelijk maken?

Hang vanaf 15 november tot ten laatste 15 februari wat vetbollen in de tuin, ook pindanootjes samengehouden in dunne plastieknetjes zijn voor hen een lekkernij.
Voeder de vogels niet meer tijdens de lente want het zou wel eens kunnen gebeuren dat moeder koolmees pindanoten zou willen voederen aan haar kleintjes, met sterfte tot gevolg! Bij de groei hebben de jongen levend en eiwitrijk voedsel nodig.
Vogels waarderen iets dichtere struiken die voor hun belagers moeilijk toegankelijk zijn, waar zij bovendien lekkere hapjes als insectenlarven en in de herfst bessen kunnen vinden (wij noemen zoiets een vogelbosje) en bomen waar ze in de lente, hoog in de takken gezeten, kunnen pronken en zingen. Uiteraard kan je tijdens de broedperiode beter niet om de haverklap hun woning storen door een al te grote nieuwsgierigheid, met het risico dat ze eieren of jongen in de steek laten.
Vermijd in elk geval het sproeien met insecticiden.  In plaats van te sproeien, kun jij op jouw gasten rekenen die voor jouw hun biologische bestrijdingsmethode opzetten.
 
Hoeveel nestkasten kan je ophangen in jouw tuin?
 
Het is zinloos er van één type heel veel op te hangen omdat de grootte en de vorm van de opening bepaalt welke vogelsoort ze zal bewonen. Eén koppel koolmezen zal in een kleine tuin geen tweede koppel dulden! Er is te weinig voedselvoorraad om al die bekjes van de jongen te vullen. Andere vogelsoorten worden niet verjaagd omdat deze hun voedsel halen op plaatsen waar de koolmees zelf niet of in elk geval minder op onderzoek gaat. Bij een voldoende ruime tuin kan dat wel, en dan best nog van een verschillend type (voor roodstaart, grauwe vliegenvanger, boomkruiper, …).